Kenia pakt je vast vanaf het eerste moment. Je stapt uit de jeep, hoort ergens in de verte een leeuw brullen en denkt: oké, dit is dus écht. De zon warmt je gezicht, stof dwarrelt op achter de wielen en voor je het weet sta je oog in oog met een kudde olifanten die rustig voorbijwandelt. Geen hekken, geen filters. Gewoon natuur zoals ze bedoeld is.
’s Ochtends drink je koffie terwijl de savanne langzaam wakker wordt. Giraffen steken hun nek boven de struiken uit, zebra’s tekenen zwart-witte lijnen in het landschap en roofdieren rekken zich uit na een nacht op jacht. Alles beweegt op zijn eigen tempo. Jij ook trouwens. Geen haast hier.
En dan die zonsondergangen. De lucht kleurt van zachtroze naar vuuroranje en eindigt in diep paars. Alsof de dag nog één keer wil uitpakken voor hij plaatsmaakt voor een sterrenhemel die je thuis nooit zo ziet. Kampvuur aan, verhalen boven het knisperende hout, geluiden van de bush op de achtergrond. Het voelt groots en tegelijk verrassend intiem.
Zin in afwisseling? Dan ruil je de savanne gewoon in voor zee. Warm zand onder je voeten, helder water dat uitnodigt voor een frisse duik en lange lunches met zicht op de horizon. Safari en strand in één reis. Waarom kiezen als het allebei kan?
Wanneer trek je er best naartoe? De droge maanden zijn ideaal om dieren te spotten: ze verzamelen zich rond water en laten zich makkelijker zien. In andere periodes is het landschap groener en zachter, met minder volk en een frisse energie. Eigenlijk zit je zelden fout.